Een tuin van Eden

Ook maakte de Heer God een tuin in Eden (= ‘prachtig’), in het Oosten. Daar zette Hij de mens neer die Hij had gemaakt. (Genesis 2:8)

En de Heer God zei: “De mens is nu net als Wij geworden. Want nu weet hij wat goed en wat kwaad is. Daarom mag hij nu niet meer van de boom van eeuwig leven eten. Want zo mag hij geen eeuwig leven krijgen.” Daarom stuurde de Heer God hem weg uit de tuin van Eden. Hij moest de aarde gaan bewerken waaruit hij was ontstaan.  Zo stuurde Hij de mens weg. Aan de oostkant van de tuin van Eden plaatste Hij engelen met een heen en weer flitsend vurig zwaard. Zij bewaakten de toegang tot de boom van eeuwig leven. (Genesis 3:22-24)

Het leven in de hof van Eden leek op het leven in de hemel. Alles was volmaakt en als Adam en Eva aan God gehoorzaam waren gebleven, hadden zij er eeuwig kunnen blijven. Maar na hun zonde hadden zij geen recht meer op het paradijs en stuurde God hen weg. Als ze in de hof waren blijven leven en gegeten zouden hebben van de boom van het leven, hadden ze voor eeuwig geleefd. Maar eeuwig leven terwijl je zondig bent, zou betekenen dat je je altijd voor God moest verbergen. Wij hebben allemaal, net als Adam en Eva, gezondigd en zijn gescheiden van God. We hoeven alleen niet van Hem gescheiden te blijven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *